H E R S C H E P P I N G - VERSIE 1.1
bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof
start inhoud inleiding achtergrond trefwoorden levensvragen reageren cd-rom help

 

Dit is het eerste studiedeel  Ga naar het begin van dit studiedeel  Ga naar het volgende studiedeel

1.

Schepper


Ga naar het vorige hoofdstuk  Ga naar het begin van dit hoofdstuk  Ga naar het volgende hoofdstuk

2.
Gods wezen

Ga naar de vorige pagina  Niet geactiveerd  Ga naar de volgende pagina

2.
God is uniek

Eén God

Het belangrijkste Joodse gebed is het volgende:

"Hoor Israël, de Here onze God is Één God." (Deuteronomium 6:4)

Deze proclamatie kan gezien worden als de hoeksteen van het Joodse geloof. Met deze woorden wil elke gelovige Jood leven en sterven. Tegelijk is het een heel fundamentele waarheid in het nieuwtestamentische, christelijke geloof. Jezus citeerde deze woorden in Marcus 12:29. Er is slechts één God die aanbeden dient te worden, de God van Abraham, Isaak en Jakob, de Vader van onze Here Jezus.

Geen andere goden

God zegt van Zichzelf:

"Ik ben de eerste en de laatste en buiten mij is er geen God." (Jesaja 44:6)

Omdat God de Schepper is van al wat bestaat, kunnen er geen andere goden zijn in dezelfde betekenis van het woord. Alle zogenaamde goden die in de loop der tijden zijn aanbeden, zijn afgoden oftewel nepgoden. Intuïtief weet de mens dat er iets van een hogere orde moet zijn waaruit hij is ontstaan en met wie hij rekening moet houden. Slechts een paar procent van alle wereldbewoners zegt er van overtuigd te zijn dat er geen "hogere macht" is. Door de eeuwen heen hebben mensen hun voorstellingen gemaakt van wat zij als goddelijk zouden bestempelen. Deze "goden" zijn óf demonen, óf bedenksels van mensen. Voorbeelden van menselijke bedenksels zijn de Griekse en Romeinse godheden, waarbij elke god of godin een bepaalde rol had. Zo was er een god van de zee, een godin van de liefde, een god van de oorlog, enzovoort. Deze goden werden menselijke eigenschappen toegeschreven, alleen wat extremer dan de mensen en bovendien werden ze onsterfelijk geacht. Voorbeelden van demonische godheden vinden we in de meeste andere wereldgodsdiensten. Daarnaast creëert de mens ook allerlei onpersoonlijke afgoden, waarvan hij zijn diepste geluk laat afhangen, zoals geld, macht, genot en dergelijke.

Het bijbelse concept dat God niet alleen heilig, maar evenzeer liefdevol is, kan beschouwd worden als het meest unieke van onze God. God heeft zijn eigen Zoon opgeofferd om de mensheid van de eeuwige ondergang te redden. Dat spectaculaire feit is volkomen uniek en dat komen we in geen enkele andere godsdienst tegen.

Allah

Veel mensen denken dat de God van de Bijbel en Allah van de Koran twee representaties van een en dezelfde God zijn. De gedachte is dan dat christenen en moslims elk een verschillend beeld hebben van dezelfde God, elk vanuit hun godsdienstige opvattingen. Niets is minder waar. Allah is van oorsprong niet een algemene naam voor "god", maar de persoonlijke naam van een heidense god die in de Arabische wereld werd aanbeden voordat de Islam ontstond. In de eerste Arabische bijbelvertaling, die enkele eeuwen na Mohammed verscheen, is de godsnaam vertaald met "Allah". Daarmee is veel verwarring ontstaan. De Arabieren begrijpen heel goed dat de God van de Bijbel niet dezelfde is als Allah, maar onder christenen is dat besef niet altijd even duidelijk. 

Enkele uitspraken van islamitische autoriteiten:

De levende God

Alleen God is de levende God, die leven in Zichzelf heeft (Joh.5:26). Dat is de betekenis van de naam "Ik ben" waarmee God zich aan Mozes bekendmaakte (Ex.3:14) In het Hebreeuws wordt hier een drievoudige tijd gebruikt, zodat "Ik ben" gelezen zou moeten worden als: "Ik was, Ik ben en Ik zal zijn:", de eeuwige God dus. Deze naam komen we ook in het Nieuwe Testament tegen (Op.1:4). De levende God geeft leven aan zijn schepselen. Geen enkel schepsel heeft leven in zichzelf. Elke vorm van leven is een geschenk van God en blijft altijd het eigendom van God.

Geen echte rivalen

God heeft geen echte rivalen. Satan is de enige die het ooit tegen Hem heeft opgenomen. Hoe machtig deze duistere figuur ook mag zijn, hij is geen god, maar een schepsel. Een schepsel is nooit groter dan zijn Schepper. Hij is in feite niet meer dan een gedegenereerde engel die bovendien verpletterend is verslagen op Golgota. Zijn dagen zijn geteld. Gods troon staat vast en heeft nog nooit gewankeld en zal ook nooit wankelen. Satan vormt geen wezenlijke bedreiging voor God.