H E R S C H E P P I N G - VERSIE 1.1
bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof
start inhoud inleiding achtergrond trefwoorden levensvragen reageren cd-rom help

 

Ga naar het vorige studiedeel  Ga naar het begin van dit studiedeel  Ga naar het volgende studiedeel

2.

Schepping


Ga naar het vorige hoofdstuk  Ga naar het begin van dit hoofdstuk  Ga naar het volgende hoofdstuk

7.
Zondeval van de mens

Ga naar de vorige pagina  Niet geactiveerd  Ga naar de volgende pagina

7.
Ontluistering van de aarde door de zondeval

Glorie en vloek

Voor de zondeval rustte Gods glorie op de schepping. Na de zondeval rustte de vloek op de schepping. De verschillen zijn enorm, zoals we kunnen zien in het volgende overzicht dat we zowel van boven naar beneden als van links naar rechts kunnen lezen: 

 

Leven onder Gods glorie Leven onder de vloek van de zonde
De schepping leefde in gezegende afhankelijkheid van God en vond daarin zijn hoogste welzijn.  De schepping kwam los van God en ieder schepsel moest min of meer zichzelf zien te redden. Het welzijnsniveau kelderde daardoor op een dramatische wijze.
Daardoor had ieder schepsel nog een onbedorven, zuivere natuur en was ieder schepsel van nature geneigd om het goede te doen.  Daardoor veranderde de natuur van alle schepselen, waardoor ieder schepsel voortaan uit was op de bevrediging van eigen behoeften. Ook de menselijk natuur degenereerde, zodat de mens ging leven vanuit eigenbelang en daarom weinig weerstand had tegen verleidingen tot zonde.
Daardoor leefde alles in de schepping in harmonie met God, met zijn omgeving en met zichzelf. De oorspronkelijke harmonie in de schepping was verdwenen.
Daarom bestonden ziekte, dood en verderf nog niet.  Ziekte, verderf en dood deden hun intrede. (Gen.3:19; Rom.5:14)

 

Satan, de nieuwe wereldheerser

De mens, die door God was aangesteld om over de aarde te heersen (Gen.1:26-28), gaf zich als het ware over aan satan, waarmee satan de heerschappij over de aarde verwierf. En nog steeds is satan de "God van deze eeuw" (2Kor.4:4) en hij zal dat blijven totdat Jezus op aarde zal terugkeren om als Koning te regeren. 

Doordat satan de heerschappij over de aarde verwierf, is alles op aarde anders geworden. In de plantenwereld zien we dat er onaangename plantensoorten ontstaan, zoals doornen en distels (Gen.3:17-19). De diersoorten die voorheen allemaal in harmonie met elkaar leefden, kwamen vijandig tegenover elkaar te staan en gingen elkaar systematisch opvreten. Sommige diersoorten werden gevaarlijk of hinderlijk voor de mens. Ook nu weer was het satan gelukt om Gods mooie schepping te laten degenereren, hoewel God er voor gezorgd heeft dat er nog heel wat moois overbleef. God had zo zijn plannen met de ontluisterde aarde, zodat satan niet ongebreideld zijn gang kon gaan! Toch moet de aarde in die begintijd kort na de zondeval nog een veel aangenamere planeet zijn geweest dan nu.

Bevolkingsgroei

Na de zondeval begonnen de mensen zich te vermenigvuldigen. Volgens berekeningen kon de mensheid in de periode voor de zondvloed zijn gegroeid tot enkele miljarden. Dit kwam mede doordat de mensen in die tijd sterker waren dan nu en hoge leeftijden konden bereiken. Voor zover we weten was er in die tijd niet zoiets als een door God gegeven wet of leefregels. De mensen konden hun eigen geweten als maatstaf hanteren. Dat leidde tot ongebreidelde groei van zondige praktijken (Gen.6:5).Het leek wel dat juist door die hoge leeftijden de zonde alleen maar toenam. Hoe langer een zondig mens leeft, hoe meer iemands zondige aard zich in negatieve zin kan ontwikkelen. Uit deze geschiedenis blijkt dat mensen niet zonder wet van God kunnen. Uit zichzelf kunnen ze geen goede maatschappij opbouwen en raken ze alleen maar steeds verder verwijderd van Gods bedoelingen met hun leven.

Gelovigen

Er waren gelukkig ook uitzonderingen. Een tijd na de zondeval, toen er al diverse mensengeslachten geboren waren, begon met de naam van God aan te roepen, wat dat dan ook maar inhield (Gen.4:26). In ieder geval was er geloof nodig om dat te doen, terwijl de meerderheid zich niets van God aantrok. Abel, de tweede zoon van Adam en Eva, had al in het begin het principe van het offer ontdekt en in praktijk gebracht (Gen.4:4). Zijn hart was God toegewijd. Het bekendste geloofsvoorbeeld uit die tijd is Henoch, die met God wandelde en zonder te sterven in de hemel werd opgenomen (Gen.5:24). Misschien was hij de enige die dat meemaakte, misschien waren er meer, we weten het niet. Ook van Noach lezen we dat hij met God wandelde (Gen.6:9).