|
H E R S C H E P P I N G
- VERSIE 1.1 bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof |
||||||||
| start | inhoud | inleiding | achtergrond | trefwoorden | levensvragen | reageren | cd-rom | help |
|
|||
2. |
Schepping |
||
7. |
Zondeval van de mens |
2. |
Paradijs |
We moeten niet gering denken over het glorierijke leven dat Adam en Eva in het begin bezaten. God had hen volmaakt geschapen:
"Toch hebt Gij hem (=de mens) bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond." (Psalm 8:6)
Adam en Eva droegen geen kleding, maar waren bekleed met Gods glorie. Er was geen plaats voor dood, ziekte of pijn. Ze waren een afstraling van Gods heiligheid en aantrekkelijkheid (zie "Mens geschapen als man en vrouw" in studiedeel "Schepping"). Door de zonde zouden ze die goddelijke glorie later verliezen (Rom.3:23) maar in het begin hadden ze die nog volledig. Die glorie hield in dat ze een reine onbevangenheid hadden naar God en in volmaakte harmonie leefden met God, met hun omgeving, met elkaar en met zichzelf. Ze waren niet geneigd tot zonde, maar om het goede te doen.
In de Bijbel lezen we over de "tuin van Eden", de meest volmaakte leefplek op aarde, die we meestal het "paradijs" noemen. God had dit onbeschrijfelijk mooie lustoord speciaal voor Adam en Eva klaargemaakt als woonplaats. God is altijd heel perfectionistisch als het gaat om zegeningen voor zijn schepping. Alleen het allerbeste was goed genoeg voor de mens, het kroonjuweel van zijn schepping.
Het paradijs lag op een berg of op een heuvel, want in Eden ontsprong een bron die zich splitste in vier machtige rivieren. Die bron moet dus relatief hooggelegen zijn. Als we in het bijbelboek Openbaring lezen over het nieuwe Jeruzalem, dan zien we een vergelijkbaar beeld. Die stad zal ook hooggelegen zijn (Op.21:16) met een rivier, die vanuit het centrum ontspringt (Op.22:1). Hier komen het eerste en het laatste paradijs als het ware bij elkaar.
In Genesis 1:28 lezen we dat God aan de mens opdroeg om de aarde te onderwerpen. In Genesis 2:15 lezen we dat hij moest beginnen met het beheren van het paradijs. De tuin van Eden was bedoeld als het centrum van de wereld, een paradijselijke residentie van waaruit koning Adam namens zijn Schepper heerschappij zou voeren over de aarde.
De aarde, zoals God die had geschapen (of herschapen), was volmaakt goed. En toch lag er een schaduw over de aarde: de aanwezigheid van satan. Ook het feit dat elke dag gevolgd werd door een nacht wijst op het feit dat in geestelijke zin de duisternis naast het licht bestond op aarde. Pas veel later, op de nieuwe aarde, zal er geen nacht meer zijn (Op.21:25). God zal dan immers zelf op de nieuwe aarde wonen en satan zal daar niet kunnen komen.
God heeft Adam ongetwijfeld ingelicht over de dreiging vanuit het rijk van satan. Niet voor niets had hij de opdracht gekregen om de tuin te BEWAKEN! De opdracht om de tuin te bewaken en de aarde te onderwerpen zou boven zijn vermogen gaan, maar met Gods hulp zou het zeker moeten lukken. Via de levensboom zou de mens de benodigde kracht ontvangen om de tegenstander te verslaan, maar in zichzelf was hij niet opgewassen tegen deze geduchte tegenstander.
Zonder twijfel was er een open communicatie tussen God en Adam. Het wandelen met God in de koelte van de avondwind (Gen.3:8) was mogelijk een dagelijkse ontmoeting. Bij die gelegenheden zal God ongetwijfeld heel veel aan Adam hebben verteld over het beheren van het paradijs, het omzien naar de plantenwereld en over allerlei geheimen van de schepping. Vervolgens liet God Adam kennismaken met de dierenwereld. God wilde dat Adam de dieren namen gaf, om daarmee zijn heerschappij over de dierenwereld te vestigen (Gen.2:19-20). Zo ontmoetten de dieren hun koning.
Hoewel Adam vast erg gelukkig was in die eerste tijd, was hij nog niet compleet. God liet hem zelf zijn behoefte aan een menselijke partner ontdekken. Vervolgens schiep God de vrouw op een heel opmerkelijke manier (Gen.2:21-22). Terwijl Adam in coma was (een uitzonderlijk diepe slaap), nam God een rib uit zijn lijf en maakte daar een vrouw van. Eva werd geboren ten koste van Adam. Evenals de Gemeente van Christus is ontstaan uit het sterven van Christus, zo is Eva ontstaan bij een soort doodsslaap van Adam. In dat opzicht lijken de eerste Adam en de Tweede Adam (=Jezus) op elkaar. In beide gevallen zien we leven ontstaan uit de dood en dat principe zien we steeds terug in de Bijbel.
Man en vrouw werden geschapen tot een twee-eenheid. Samen zouden ze een compleet evenbeeld zijn van de heilige, liefdevolle Schepper. De manier waarop dit gebeurde zegt iets van Gods bedoelingen voor man en vrouw: Het feit dat eerst Adam en vervolgens Eva uit Adam is geschapen, geeft op een natuurlijke wijze aan dat Adam de leider was van de twee-eenheid van man en vrouw. Het feite dat de vrouw is ontstaan ten koste van de man geeft aan dat de man in een houding van zelfopofferende liefde het welzijn van zijn vrouw moet zoeken. Deze principes van leiderschap en zelfopoffering vinden we terug in Efeziërs 5:22-33. Daar heeft Paulus het over de verhouding tussen man en vrouw en die tussen Christus en de Gemeente.