H E R S C H E P P I N G - VERSIE 1.1
bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof
start inhoud inleiding achtergrond trefwoorden levensvragen reageren cd-rom help

 

Ga naar het vorige studiedeel  Ga naar het begin van dit studiedeel  Ga naar het volgende studiedeel

3.

Nieuw leven


Ga naar het vorige hoofdstuk  Ga naar het begin van dit hoofdstuk  Ga naar het volgende hoofdstuk

3.
Bekering

Ga naar de vorige pagina  Niet geactiveerd  Ga naar de volgende pagina

6.
Voornemen tot gedragsverandering

 

We gaan het nu hebben over de rol van het gedrag bij de bekering. Een bekering is niet compleet als er geen praktische consequenties aan worden verbonden. Het houdt ook in dat je van harte wilt gaan leven zoals God dat van je vraagt en de strijd wilt aanbinden tegen alles in je leven dat tegen de wil van God in gaat. Natuurlijk moet er nog heel wat in je leven veranderen, zoals verkeerde gewoonten en leefpatronen. Bij de bekering mag je daar een eerste stap mee zetten, maar de uitwerking ervan zal je leven lang doorgaan. 

Berouw leidt tot gedragsverandering

Als je oprecht berouw hebt gekregen van je zonden, is het normaal dat je je voorneemt om je voortaan van die zonden af te keren en ze niet meer te doen. Hoe concreter je zondebelijdenis voor God is geweest, hoe duidelijker het is welke veranderingen er in je gedrag moeten plaatsvinden. Als je je zonden aan God belijdt, zonder de follow-up van gedragsverandering, dan kun je je afvragen of je berouw wel echt is geweest.

Goedmaken

Bij de bekering van Zacheüs (Luc.19:1-10) zien we dat hij pas echt een geloofsstap had gezet toen hij Jezus vertelde dat hij het goed ging maken met iedereen, van wie hij te veel geld had gevraagd. Toen bleek de bekering echt te zijn, waarop Jezus prompt bevestigde dat Zacheüs gered was, oftewel dat God hem een nieuw hart had gegeven. Bekering betekent dus ook: een vast voornemen om het in orde te maken met de mensen die je vóór je bekering hebt benadeeld. 

Bewijs van bekering

De rijke jongeman, die aan Jezus vroeg hoe hij het nieuwe leven kon ontvangen, kreeg uiteindelijk als antwoord dat hij zijn bezittingen moest weggeven, om daarmee te bewijzen dat hij afstand deed van zichzelf en zich zou overgeven aan God (Mat.19:16-22). Johannes de Doper zei tegen zijn bekeerlingen: 

"Brengt dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt." (Matteüs 3:8)

Een bekering is niet compleet als er geen duidelijk initiatief tot gedragsverandering heeft plaatsgevonden. Het is een noodzakelijk gevolg van berouw:

"... dat zij zich met berouw zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming." (Handelingen 26:20)