H E R S C H E P P I N G - VERSIE 1.1
bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof
start inhoud inleiding achtergrond trefwoorden levensvragen reageren cd-rom help

 

Ga naar het vorige studiedeel  Ga naar het begin van dit studiedeel  Ga naar het volgende studiedeel

3.

Nieuw leven


Ga naar het vorige hoofdstuk  Ga naar het begin van dit hoofdstuk  Ga naar het volgende hoofdstuk

5.
Verbond

Ga naar de vorige pagina  Niet geactiveerd  Ga naar de volgende pagina

1.
Oude verbond

Gods verlangen naar verbondenheid

God heeft altijd verlangd naar een verregaande verbondenheid tussen Hemzelf en zijn schepping. Daarin komt Hij als Schepper volledig tot zijn recht. Vanaf de eerste tot en met de laatste bladzijde van de Bijbel lezen we over de relatie tussen God en de mensen. 

De Bijbel is ingedeeld in twee delen: het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Het verbond dat God met zijn volk gesloten heeft zoals beschreven in het Oude Testament noemen we het "oude verbond". 

Verbond met Abraham

In Genesis 17 kunnen we lezen over de geldigheidsduur van het verbond dat God sloot met Abraham en zijn nageslacht.

"Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten tot een EEUWIG verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. Ik zal aan u en uw nageslacht ... het ganse land Kanaän tot een ALTOOSDURENDE bezitting geven en ik zal hun tot een God zijn." (Genesis 17:7-8)

Het gaat duidelijk om een eeuwig verbond. De kern van de belofte is dat God Zichzelf aan Abraham en zijn nageslacht verbond om speciaal HUN God te zijn. De verplichting van Gods volk was dat de mannen besneden zouden worden (Gen.17:9-14). Daardoor bevestigde Gods volk dat zij het verbond op Gods voorwaarden wilden onderhouden. In dit stadium was er nog geen sprake van uitgebreide wetgeving, dat wil zeggen: de Bijbel vermeldt niets over verdere afspraken en leefregels die God aan Abraham doorgaf.

Verbondssluiting

Het nageslacht van Abraham werd erg talrijk en het werd een groot volk dat zich door omstandigheden in Egypte moest vestigen. Honderden jaren later werd het op een spectaculaire manier verlost uit de slavernij in het land Egypte. Het verbond met Abraham werd verder uitgewerkt toen Mozes met het inmiddels omvangrijke volk Israël bij de berg Sinaï verscheen. Dan komen we in het bijbelboek Exodus een juweel van een tekst tegen, waarmee we even in Gods hart mogen kijken: 

"Jullie hebben gezien ... dat Ik jullie op adelaarsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb." (Exodus19:4)

God wilde een sterke verbondenheid met het volk Israël, vanuit een diep verlangen om het volk een zo goed mogelijk leven te geven. Bij de verbondssluiting (Ex.19-20) lezen we hoe God de regels van het verbond aan zijn volk bekend maakte in termen van geboden, leefregels en inzettingen. 

Aards verbond

Het oude verbond heeft in de eerste plaats een aards karakter. Dat wil zeggen: het leven op aarde als volk van God en het fysieke welzijn staat daarin centraal. De meest tastbare belofte van het verbond is het beloofde land als een eeuwig bezit. Israël vormde een aards koninkrijk onder Gods leiding. Daarnaast was er de belofte van Gods bovennatuurlijke hulp en bescherming. Hoe meer het volk Israël trouw was aan het verbond, des te meer aardse zegeningen en voorspoed het zou genieten. Als het volk ontrouw was, werden hun aardse levensomstandigheden bedreigend doordat vijanden het land gingen bezetten of door allerlei rampen. 

Ook de toetreding tot het oude verbond is fysiek van aard. Ieder die geboren wordt binnen het volk Israël behoort daarmee automatisch tot Gods volk. De besnijdenis van pasgeboren jongetjes was een uiterlijk symbool van de toetreding tot het verbond. We zouden het een verbondsteken kunnen noemen. Op talloze plaatsen in het Oude Testament lezen we dat God Zich met zijn volk heeft verbonden om "van geslacht tot geslacht" de Israëlieten te zegenen en te ondersteunen.

Het oude verbond was dus uitsluitend bestemd voor het volk Israël en voor de mensen uit andere die zich tot Israëlieten lieten naturaliseren (Gen.17:12-13). Israël was een theocratie: een volk dat door God geregeerd werd. Daarbij speelde de priesterdienst een belangrijke rol, terwijl er leidersfiguren waren zoals richters en koningen die als "schipper naast God" leiding gaven aan het volk. De relatie tussen God en zijn volk was in de eerste plaats een relatie tussen Koning en onderdanen.

Wet en geloof

Bij het oude verbond denken we vaak aan het slaafs gehoorzamen aan de wet, terwijl we bij het nieuwe verbond denken aan het leven door het geloof. Toch was onder het oude verbond het geloof ook de sleutel tot de werkelijke verbondenheid met God. Er was immers geloof nodig om het nut in te zien van het onderhouden van Gods leefregels, terwijl er voortdurend de verleiding was om te leven zoals de andere volken.

Alle mannelijke Israëlieten waren besneden, maar niet alle Israëlieten waren "besneden van hart" (Hand.7:51). Door het hele Oude Testament heen zien we mensen die God van harte dienden en mensen die er met de pet naar gooiden. Er waren altijd mensen die alleen maar de uiterlijke ceremoniën uitvoerden zonder dat hun hart er bij betrokken was, net als in onze kerken. Het verschil tussen beide groepen Israëlieten was: geloof. Waarom werd Abraham de aartsvader van Gods volk? Omdat hij in God geloofde (Rom.4:3). In Hebreeën 11 zien we een hele lijst met geloofshelden uit het Oude Testament. Wie op God vertrouwde, deed zijn best om zoveel mogelijk volgens Gods wet te leven, want hij geloofde Gods beloften voor degenen die dat zouden doen. Wie niet op God vertrouwde, liet de wet links liggen. Het gehoorzamen van Gods geboden onder het oude verbond had dus wel degelijk te maken met geloof ook al lezen we dat in de Bijbel niet in zulke directe termen (zie ook Rom.4:11-12 en Rom.9:31-32).

Geestelijk leven?

Ondanks het aardse karakter van het oude verbond bood het wel degelijk openingen naar onvervalst geestelijk leven zoals we dat kennen onder het nieuwe verbond. Toch lijkt het er op dat slechts bij uitzondering mensen zover kwamen. In het oudtestamentisch priesterschap zien we duidelijk geestelijke waarden. De priesters en levieten kregen geen stuk land als aards erfdeel, maar "de Here was hun erfdeel" (Num.18:20; Ez.44:28). Daarmee komen de priesters dichter te staan bij het geestelijke karakter van het Nieuwe Testament. Ook zien we dat personen als Henoch, Mozes en David een geestelijke relatie met God onderhielden waar de meeste nieuwtestamentische gelovigen van vandaag niet aan kunnen tippen. Het oude verbond had open vensters naar de geestelijke wereld. Mensen die God echt zochten ontdekten dat Hij meer was dan een Koning, maar ook een liefdevolle Vader die graag een persoonlijke band met mensen onderhield. 

Afhankelijkheid en genade

Het was Gods bedoeling van de wet om mensen te leren dat ze niet uit zichzelf de wet konden houden, omdat de mensheid onder de vloek van de zonde ligt. Om de relatie met God toch goed te houden, waren offers nodig, waarmee de gelovige Joden hun afhankelijkheid van Gods genade konden tonen. Vooral door de offerdiensten gaf God het volk als het ware een voorschot op de genade die door de kruisdood van Christus beschikbaar zou komen. 

Helaas probeerden de Joodse godsdienstige leiders uit de tijd van Jezus uit alle macht te bewijzen dat ze WEL de wet konden houden, door zeer nauwgezet te leven. Daarmee toonden ze een ijver voor God die een zeker respect afdwong. Toch hadden ze Gods diepere bedoelingen met de wet niet begrepen: ze werden trots op hun godsdienstige prestaties en meenden Gods genade niet meer nodig te hebben. Tegelijk dwongen ze het overige volk om net zo te leven en daarmee deden ze meer kwaad dan goed.

Op de grens tussen het oude en nieuwe verbond

Op het grensvlak van oude en nieuwe verbond trad Johannes de Doper op. Ter voorbereiding van het hemelse Koninkrijk, dat Jezus zou komen brengen, riep hij de mensen op om hun leven van binnenuit op orde te brengen. Dat was iets nieuws. Zijn bediening was erg belangrijk, want daarmee leerde hij het volk de overstap te maken van uiterlijk gerichte godsdienst naar innerlijk gerichte godsdienst. Hij riep op tot bekering en levensverandering. Iedereen die daar op inging en waarvan Johannes overtuigd was dat de bekering oprecht was, werd onder water gedompeld. Dat was een symbool van aflegging van oude gedragspatronen en een heilig voornemen tot een nieuwe levensstijl. Het onder water gaan was ook een symbool van reiniging oftewel vergeving van zondeschuld.

Kenmerken oude verbond

Laten we de belangrijkste kenmerken van het oude verbond op een rijtje zetten, zodat we die later kunnen vergelijken met die van het nieuwe verbond.

 

toepassingsgebied

aards: gericht op het aardse leven

koninkrijk

aards koninkrijk: Israël als theocratie, met God als Koning boven zijn uitverkoren volk

verlossing het volk Israël was verlost uit de aardse macht van Farao van Egypte

verbondsbelofte

het aardse land Kanaän als eeuwige bezitting (Gen.17:8) en aardse zegeningen (Deut.28:1-14)

wet

geschreven op stenen tabletten (Ex.31:18)

vergeving van zonden

door het offeren van dieren

verzoening (relatie met God)

door het offeren van dieren

toetreding 

door geboorte binnen het volk Israël (Gen.17:7); voor niet-Israëlieten bestond er een toetredingsregeling

verbondsteken

besnijdenis van pasgeboren jongetjes

heiligdom op aarde

tabernakel / tempel, waarin de wolk van Gods aanwezigheid zichtbaar was

geldigheidsduur eeuwig (Gen.17:7)