|
H E R S C H E P P I N G
- VERSIE 1.1 bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof |
||||||||
| start | inhoud | inleiding | achtergrond | trefwoorden | levensvragen | reageren | cd-rom | help |
|
|||
3. |
Nieuw leven |
||
4. |
Wedergeboorte |
10. |
Wedergeboorte van Israël |
Het ontstaan van het volk Israël is een van de meest spectaculaire gebeurtenissen die in het Oude Testament beschreven zijn. Ter voorbereiding van de verlossing uit Egypte had een soort bekering van het volk plaatsgevonden, waarbij het volk zich voor God neerboog (zie "Bekering van Israël" in hoofdstuk "Bekering"). Daarna werd het volk als het ware herboren tot Gods eigen volk, waarvoor Hij als een vader wilde zorgen. God liet Mozes de volgende woorden tot Farao zeggen:
"Israël is mijn eerstgeboren zoon, daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij mij diene..." (Exodus 4:22)
De geboorte van het volk Israël werd verzegeld bij de verbondssluiting bij de berg Sinaï. Bij dit alles staat niet centraal dat het volk zo goed of zo slim was om voor God te kiezen. Integendeel! Het is het verhaal van een nukkig volk dat desondanks door God is uitgekozen om er een bijzondere relatie mee te hebben en om er zijn zegen aan te verbinden. De wedergeboorte van het volk Israël is een illustratie van de wedergeboorte van de gelovige die zich tot God bekeerd heeft.
Bij de behandeling van het begrip wedergeboorte hebben we stilgestaan bij de volgende aspecten: verlossing, rechtvaardigmaking, nieuwe relatie met God en nieuw leven. Laten we eens zien hoe dat destijds ging bij de (weder)geboorte van het volk Israël.
Mogelijk nog spectaculairder dan de tien plagen gedurende het bekeringsproces was de verlossing uit de macht van de tegenstander: de doortocht door de Schelfzee. Hier zien we dat alleen God handelend optrad:
"De Here zal voor u strijden en gij zult stil zijn." (Exodus 14:14)
Bij de doortocht door de Schelfzee werd de macht van Farao over het volk definitief beëindigd. Het volk was vanaf dat moment vrij en buiten het bereik van de legermacht van de vijand. Het is opvallend dat God bij de strijd tegen de Egyptenaren geen enkele inzet van het volk verwachtte. In alle latere gevechten tussen het volk en zijn vijanden moest het leger in actie komen. Maar hier niet, want God wilde eens en voorgoed duidelijk maken dat verlossing het werk van Hemzelf is. Geen mens kan en mag daar iets aan toevoegen of bijdragen.
Vanaf het moment van de uittocht had het volk een nieuwe identiteit en nationaliteit gekregen. Het was niet langer een slavenvolk uit Egypte, maar het was Gods volk geworden. Gods noemde het zijn leger (Ex.12:41), op weg naar het Beloofde Land.
De verlossing van het volk was niet een geleidelijk proces, maar een abrupt gebeuren, waarbij het volk werd losgerukt uit de handen van een schijnbaar almachtige vijand. De Schelfzee maakte duidelijk een scheiding tussen niet verlost en wel verlost. God wilde een duidelijke mijlpaal neerzetten en bovendien een barrière, zodat het heel moeilijk zou zijn om dezelfde weg terug te gaan. Daarom mogen we aannemen dat God wil dat we zekerheid hebben over ons behoud.
Vanaf de uittocht (en eigenlijk ook daarvoor al) zien we dat God ook op een andere manier te midden van zijn volk aanwezig was:
"De Here ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan." (Exodus 13:21)
In het vervolg zien we ook dat de wolkkolom functioneerde als een zekere bescherming tegen de verzengende zonnestralen. Deze zichtbare aanwezigheid van de almachtige God te midden van zijn volk is een beeld van de merkbare aanwezigheid van de Heilige Geest in het hart van de wedergeboren mens.
De verbondenheid tussen God en het volk Israël kwam het sterkst tot uiting bij de verbondssluiting op en bij de berg Sinaï. Daar kreeg het volk ook de wet van God en gedetailleerde leefregels over de verhouding met God en met de medemens. Het volk Israël zou Gods volk zijn, terwijl Hij zelf de God van Israël zou zijn.
De relatie tussen God en zijn volk was er in de eerste plaats een van koning en onderdanen. Gods soevereiniteit wordt in het Oude Testament dan ook sterk benadrukt. Gehoorzaamheid aan Gods geboden, het afzweren van andere goden en het zich houden aan de wet waren dan ook de belangrijkste aandachtspunten voor de Israëliet.
Toch zien we op veel plaatsen in het Oude Testament dat God meer wilde zijn dan een afstandelijke Koning. Om te beginnen wilde Hij in het midden van zijn volk wonen (eerst via de tabernakel, later via de tempel). Verder onderhield Hij diepgaande vriendschappelijke relaties met de mensen die daarvoor open stonden, zoals Mozes, Jozua, David, Elia en Daniël. In de Psalmen zien we hoe de dichters God hebben leren kennen uit de geschiedenis (bijvoorbeeld Ps.81 en 106) en uit de wet (Ps.119). Het persoonlijk leren kennen van God was ook onder het Oude Verbond mogelijk, ook al werd het niet zozeer benadrukt als een deel van het normale dienen van God.
Vergeving van zonden werd tot stand gebracht en in stand gehouden via de offerdiensten die voorlopige verwijzingen waren naar het offer van Christus aan het kruis. Daardoor kwam vergeving van zonde en schuld tot stand. De geschiedenis van het volk Israël laat zien dat God buitengewoon vergevend was als het volk zich weer tot Hem keerde na een periode van afvalligheid.
Het nieuwe bestaan van het volk Israël was vooral een bestaan waarin God zijn overvloedige zegeningen zou geven: voorspoed, gezondheid, veiligheid, enzovoort. In de woestijn zou het volk merken dat God in al hun behoeften zou voorzien. De belofte van veilig en voorspoedig te wonen in het Beloofde Land was de kern van Gods belofte aan zijn volk. De mate waarin het volk gezegend zou worden zou wel afhankelijk zijn van hun mate van gehoorzaamheid. Hetzelfde geldt in geestelijke zin voor gelovigen onder het nieuwe verbond. Ook zij ervaren Gods zegen als ze leven naar zijn wil, alleen aan hen heeft God geestelijke zegeningen beloofd (Ef.1:3), terwijl aardse zegeningen niet voor elk kind van God zijn weggelegd. Gods kinderen kunnen onder alle omstandigheden, bij voor- en tegenspoed, leven vanuit die hemelse zegeningen (Fil.4:12-13).