H E R S C H E P P I N G - VERSIE 1.1
bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof
start inhoud inleiding achtergrond trefwoorden levensvragen reageren cd-rom help

 

Ga naar het vorige studiedeel  Ga naar het begin van dit studiedeel  Ga naar het volgende studiedeel

12.

Zegenende liefde


Ga naar het vorige hoofdstuk  Ga naar het begin van dit hoofdstuk  Ga naar het volgende hoofdstuk

2.
Zegenen en vervloeken

Ga naar de vorige pagina  Niet geactiveerd  Ga naar de volgende pagina

3.
Zegenen als levensstijl

Een zegen zijn voor anderen

Gelovigen worden op een indrukwekkende manier door God gezegend. We zijn gezegend om te zegenen, om de ontvangen zegen door te geven. Dit kunnen we bijvoorbeeld op de volgende manieren dien:

Zegenen maakt ook de zegenaar gelukkig

Gods zegen is geen consumptiemateriaal, maar werkkapitaal. Hoe meer we zegenen, hoe meer onze eigen zegen vanuit de hemel wordt aangevuld en zelfs toeneemt:

"De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt." (Spreuken 11:25)

Je kunt een zegen zijn voor iemand als je iets van jezelf aan anderen geeft. Dat betekent: de zegen die je van God ontvangen hebt, doorgeven aan anderen. Hoe meer je anderen daarmee zegent, hoe meer je ook zelf gezegend wordt. 

"Geeft en u zal gegeven worden; een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden." (Lucas 6:38)

Het tegenovergestelde is ook waar: hoe minder je anderen zegent, hoe minder zegen je ontvangt. De Bijbel spoort ons aan om royaal uit te delen (Spr.3:9-10,27-28), niet alleen naar mensen te zegenen, die je aardig vindt, maar ook mensen die zich vijandig tegenover je gedragen (1Petr.3:9). Jezus heeft daarvan duidelijke voorbeelden gegeven.

Wat wij bereid zijn te geven zal in belangrijke mate bepalend zijn voor onze levensvreugde. Mensen die niets kunnen missen zijn niet gelukkig. Nemen kan iedereen, geven moet geleerd worden. De grootste vreugde van het geven ervaren we als we het beste geven wat we hebben.

Wonderbare spijziging

We kennen allemaal de geschiedenis van de wonderbare spijziging. We kunnen heel wat leren van de manier waarop Jezus een eenvoudige lunch van een jongetje kon gebruiken om een massa mensen een ruime maaltijd te geven (Joh.6:1-14).

  1. Als de jongen zijn lunch niet aan Jezus had gegeven, was de menigte met een lege maag naar huis gegaan. Zegenen begint dus met de bereidheid om iets van jezelf met anderen te willen delen.
  2. Jezus keek op naar de hemel en dankte God de Zegenaar. Alle zegen komt immers van God.
  3. Jezus brak het brood en vermenigvuldigde het. Pas als we verbroken voor God zijn kan er een echte zegen uit ons voortkomen, en niet zo weinig.
  4. De jongen stond er waarschijnlijk met volle verbazing naar te kijken. Als God mensen door ons heen zegent, zijn we zelf vol verwondering over wat God doet.

Zegenen met Gods zegen

Ik wil nogmaals benadrukken dat het tot zegen zijn van anderen geen medemenselijke activiteit, voortkomend uit eigen vriendelijkheid en sociale bewogenheid. Dit laatste is natuurlijk niet verkeerd, maar het is niet wat de Bijbel zegen noemt. Echte zegen komt van God en wordt doorgegeven aan anderen, terwijl de gelovige zelf keuzen maakt om daarmee liefde te bewijzen aan medemensen en anderen te dienen.