|
H E R S C H E P P I N G
- VERSIE 1.1 bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof |
||||||||
| start | inhoud | inleiding | achtergrond | trefwoorden | levensvragen | reageren | cd-rom | help |
|
|||
13. |
Rust en vernieuwing |
||
4. |
Eeuwige bestemming |
4. |
Bestemming van overige mensen |
De Bijbel leert nadrukkelijk dat er maar twee wegen en twee eindbestemmingen zijn: de weg naar het eeuwige leven en de weg naar de eeuwige dood. In beide gevallen is er wel sprake van graduele verschillen, zoals we later zullen zien:
Dit laatste is van groot belang bij het onderwerp waar we nu mee bezig zijn.
Bij de vorige onderwerpen hebben we besproken hoe we op grond van de Bijbel zeker kunnen weten of iemand bestemd is voor het eeuwige leven of voor de eeuwige dood. Daarnaast zijn er ook nog heel wat andere groepen mensen, waarover de Bijbel geen direct uitsluitsel geeft. Wat moeten we daarvan denken? Welke maatstaven legt God daarvoor aan? Laten we eens nadenken over verschillende categorieën mensen.
Ongeboren kinderen hebben naar mijn mening niet gezondigd en dus zie ik geen enkele reden waarom doodgeboren of geaborteerde kinderen niet het eeuwige leven zouden ontvangen. Ik denk dat ze het aardse leven overslaan en in de geestelijke wereld zullen leven in afwachting van de opstanding.
Kinderen van gelovige ouders zijn geheiligd in hun ouders (1Kor.7:14; Ex.20:6) oftewel ze mogen opgroeien in een geheiligde omgeving waar God gediend wordt en ze delen in de zegeningen van de ouders. Ze zijn daardoor zeer bevoorrecht en worden tot op zekere hoogte begeleid en geholpen om tot een geloofskeuze voor Jezus te komen. Let wel op: dit geheiligd zijn heeft te maken met het leven binnen het gezin, niet met eeuwige bestemming.
Kinderen van ongelovige ouders groeien op in een onheilige omgeving en ondervinden de negatieve gevolgen van de zonden van hun ouders (Ex.20:5). Zij hebben het nadeel dat de levensstijl van hun ouders hen op het spoor zet op Jezus af te wijzen. Maar dat betekent niet dat ze vanwege hun afkomst automatisch bij hun geboorte worden ingedeeld als zijnde bestemd voor de eeuwige dood.
De Bijbel leert dat ieders bestemming wordt bepaald op grond van ieders eigen daden, niet op grond van de daden van hun ouders. Ieder mens is immers alleen verantwoordelijk voor eigen zonden. Zie ook "Erfzonde, zonde en schuld" in studiedeel "Schepping". Bij kinderen ontwikkelt zich het geweten pas na een aantal jaren. Ik verwacht dat degenen, die nog niet "tot de jaren des onderscheids" zijn gekomen naar Gods maatstaven, ook niet schuldig verklaard worden vanwege hun overtredingen van Gods geboden. Ik zie niet in waarom kinderen van gelovige ouders daarin anders beoordeeld worden dan kinderen van ongelovige ouders. We mogen aannemen dat bijvoorbeeld kleine kinderen en verstandelijk gehandicapte mensen anders worden beoordeeld dan mensen bij wie het geweten normaal is ontwikkeld. Iemands geweten speelt namelijk duidelijk een rol bij de beoordeling van iemands leven (Rom.2:15). Om op kinderen terug te komen: in de Joodse traditie geldt dat kinderen jonger dan dertien jaar niet verantwoordelijk zijn voor hun daden, maar hun ouders. Nadat ze Bar Mitswa hebben meegemaakt, worden ze verantwoordelijk geacht voor hun daden. Deze traditie bevestigt de bovengenoemde grondgedachte.
Dan hebben we nog allerlei groepen mensen die geen of bijna geen kennis hebben van het evangelie. We kunnen dan denken aan:
Het is duidelijk dat de rechtvaardige God bij de beoordeling van iemands leven rekening houdt met ieders omstandigheden, mogelijkheden en kennis van Gods wil (Luc.12:47-48). De mate waarin God iemands zonden toerekent als schuld hangt af van factoren, die wij mensen niet kunnen meten. In alle gevallen is het God die op een rechtvaardige en genadige wijze bepaalt wat ieders bestemming zal zijn. Ook Paulus is, toen hij de Gemeente van Christus aan het vervolgen was, met de genade van God in aanraking gekomen:
"...Maar mij is ontferming bewezen, omdat ik het in mijn onwetendheid, uit ongeloof, gedaan heb, en zeer overvloedig is de genade van onze Heer geweest..." (1 Timoteüs 1:13-14)
Als God tijdens iemands leven bereid is om zóveel genade te tonen aan mensen die in onwetendheid handelen, zou Hij dan aan het einde van iemands leven met andere maatstaven meten?
Hoe zit het met het eeuwige behoud van de Joden? In het Oude Testament lezen we er niet veel over dus kunnen we er ook niet al te veel over zeggen. Israël is Gods volk en Hij heeft er Zijn bedoelingen mee, zowel met het oudtestamentische volk Israël als met de Joden van vandaag. Onder de kerkmensen zijn zowel wedergeboren gelovigen als naamchristenen zijn. Evenzo lezen we in het Oude Testament over Israëlieten die God oprecht dienden en Israëlieten die er met de pet naar gooiden. Die zullen vast niet allemaal dezelfde eindbestemming hebben. Paulus gaf aan dat voor Joden (besnedenen dus) de voorwaarde geldt van "besnedenheid van hart" (Rom.2:28-29). Dat houdt in dat bij de beoordeling van gelovigen onder het oude verbond ook de innerlijke houding een rol speelt. een hartsverbondenheid met God dienen te hebben, die zich uit in de levenswandel.
Wij moeten openstaan voor de mogelijkheid dat God zijn genade op andere manieren zal kunnen tonen dan dat tot nu toe aan ons is bekendgemaakt via de Bijbel. De soevereine God hoeft aan ons geen verantwoording af te leggen over wie Hij begunstigen wil (Rom.9:15). We moeten dus met terughoudendheid spreken Gods mogelijke veroordeling van bepaalde groepen mensen en rekening houden met Gods genade die groter is dan zijn boosheid.
Zoals gezegd: het is te kort door de bocht om te beweren dat alle gelovigen naar de hemel gaan en dat de rest naar de hel gaat. Bijbelleraar Sidney Wilson heeft eens de volgende stelling uitgesproken om mensen aan het denken te zetten:
"Aan het einde van de tijd zal blijken dat Jezus overwinnaar is, en Hij zal dan wellicht wel 10% van alle mensen krijgen. En satan, die vuile schurk, is de grote verliezer. Hij krijgt maar 90%..."
De Bijbel leert ons dat kerkmensen niet te snel moeten denken dat hun toekomstig heil verzekerd is en dat er geen pardon is voor ongelovigen. De veroordeling ligt dichter bij de gelovigen dan we denken (1Petr.4:17-18) en de beoordeling zal voor ongelovigen dikwijls draaglijker zijn dan we denken (Mat.11:23-24). We zouden wel eens verrast kunnen worden door het eindresultaat!
Voor sommige groepen mensen is het duidelijk dat ze het eeuwige leven zullen ontvangen, voor andere groepen dat ze de eeuwige dood tegemoet gaan. Voor de overige gevallen kunnen we onze vermoedens hebben, maar moeten we het aan Gods rechtvaardige en genadige beoordeling overlaten in hoeverre Hij iemands zonden als schuld zal toerekenen. Paus Johannes Paulus II heeft eens de volgende uitspraak gedaan, waar ik me graag bij aansluit:
"God oordeelt naar de mate waarin je het licht ontvangen hebt en naar de mate waarin je reageert op het licht."
Gods beoordeling kan in veel gevallen strenger uitpakken dan jij of ik vermoeden, of misschien soepeler. We weten het niet. Er is geen reden tot een houding van "het zal allemaal wel meevallen" of "laten we ons voorbereiden op het ergste". Heb je twijfels over je eeuwige bestemming? Dat is een vraag van levensbelang. In studiedeel "Nieuw leven" is de weg tot God uitvoerig uitgelegd. Daarbij is ook het onderwerp "Eeuwig leven" aan de orde gekomen.