|
H E R S C H E P P I N G
- VERSIE 1.1 bijbelstudies van Maarten te Hennepe over grondslagen en toepassing van het christelijke geloof |
||||||||
| start | inhoud | inleiding | achtergrond | trefwoorden | levensvragen | reageren | cd-rom | help |
|
|||
13. |
Rust en vernieuwing |
||
5. |
Hiernamaals |
1. |
Leven na de dood |
In praktisch alle godsdiensten en religies komen we de overtuiging tegen dat er een bewust leven na de dood is. Daarbij wordt altijd gedacht aan een voortleven in de geest, nadat het lichaam gestorven is. In diverse beschavingen leeft of leefde de gedachte dat de geest een reis moet ondernemen of een rivier moet oversteken op weg naar de eindbestemming. Ook is er in praktisch alle beschavingen het besef:
Op zijn simpelst gezegd: goede mensen worden beloond en slechte mensen worden gestraft.
Er zijn mensen die door occulte ervaringen er achter proberen te komen wat er aan de overzijde van het leven te vinden is. Dat doen ze bijvoorbeeld door contact te zoeken met geesten van gestorvenen. Omdat dit communicatiekanaal uitdrukkelijk door God is verboden, mogen we aannemen dat satan met deze vorm van communicatie is verbonden, en dat is allesbehalve een garantie voor een betrouwbare berichtgeving. Satan wordt niet voor niets de "vader van de leugen" genoemd oftewel de aartsleugenaar. Wat spiritisten zeggen te ervaren als contacten met gestorvenen, is naar alle waarschijnlijkheid contact met demonische geesten. Dezen kunnen gestorven mensen imiteren en daarbij naar eigen believen allerlei boodschappen doorgeven naar de mensen. Nee, op die manier krijgen we geen goed beeld van wat er aan de overzijde plaatsvindt.
In het Oude Testament lezen we over een ander soort geestverschijning. Koning Saul probeerde via een waarzegster in contact te komen met de inmiddels overleden profeet Samuël. De koning wilde dat hij een voorspelling deed over de afloop van een veldslag met de Filistijnen. Hij wist heel goed dat zoiets in Gods wet streng verboden was (Deut.18:9-14). Toen Samuël verscheen, schrok de waarzegster zich lam (1Sam.28:12). Ze had deze keer geen contact met de waarzeggende (demonische) geesten, zoals anders. Hier gebeurde iets van Godswege: een ECHTE verschijning van een gestorvene. De echtheid van deze verschijning werd bevestigd doordat de voorspelling ook waar bleek te zijn: Saul en zijn zonen sneuvelden bij de veldslag.
Bij de Joden is van oudsher de gedachte bekend dat men na de dood met zijn voorgeslacht wordt verenigd (zie bijvoorbeeld Exodus 49:29) en dat het leven, dat immers van God komt, nooit zal ophouden te bestaan. Jezus citeerde eens wat God tegen Mozes zei bij zijn roeping als leider van het volk Israël:
"Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob. Hij is niet een God van doden, maar van levenden." (Matteüs 22:32)
Jezus legde uit dat alleen al uit die woorden van God kan worden geconcludeerd dat er leven is na de dood. Omdat God zich van oudsher heeft verbonden met zijn volk Israël, leefde bij hen de verwachting dat die verbondenheid in het hiernamaals zal voortgaan. Dat is een positieve verwachting, in tegenstelling tot de opvattingen bij heidense volken, waar de angst voor het hiernamaals overheerst.
In het Oude Testament wordt op vele plaatsen gesproken over het dodenrijk, de plaats in de geestelijke wereld waar alle mensen na hun sterven heen gaan. Ook de term "graf" of "groeve" wordt voor hetzelfde begrip gebruikt in het Oude Testament. De meeste teksten over dat onderwerp zijn nogal somber getint, lees maar eens Job 17:13-16 en Job 24:19-20. De zieke Koning Hizkia vroeg God of zijn leven verlengd mocht worden, want niet de doden, maar de levenden leven immers tot eer van hun Schepper (Jes.38:18-19). Er wordt in het Oude Testament nooit rechtstreeks iets gezegd over het gaan naar de hemel. Het begrip hemel werd destijds alleen gebruikt om de woonplaats van God en de engelen aan te duiden. In Psalm 17:14-15 zegt David dat hij meer toekomstperspectief heeft dan de goddelozen, die alleen het aardse leven hebben. Hij verwacht bij het ontwaken in de geestelijke wereld God te zien:
"Gij zult mij leiden door uw raad en daarna mij in heerlijkheid opnemen." (Psalm 73:24)
De profeten Jesaja en Daniël profeteren van een opstanding uit de doden (Jes.26:19; Dan.12:2). In Joodse kringen werd de uitdrukking "in Abrahams schoot" gebruikt voor de plaats waar Joden na hun sterven heengaan. Ook de term "paradijs" werd gebruikt voor wat wij de hemel zouden noemen. Ook Jezus hanteert deze beide uitdrukkingen (Luc.16:22; 23:43). Verder is bekend dat de Farizeeën in Jezus' tijd geloofden in een opstanding, terwijl de Sadduceeën dat afwezen (Hand.23:8; Luc.20:27).
Samenvattend kunnen we zeggen dat de Joden sterk op het hier en nu gericht waren, dat ze niet zo veel aandacht besteedden aan het leven na hun sterven. Wel verwachtten ze voor de toekomst een opstanding van het lichaam en een eeuwig leven bij God.
Het Nieuwe Testament geeft veel meer informatie over het hiernamaals dan het Oude Testament. Het bijbelboek Openbaring speelt zich voor een belangrijk deel in de hemel af. In de volgende onderwerpen zullen we hier uitvoerig op ingaan.